Het afscheid van

mijn vader

Dirk Rommens
Reünie der Afwezigen
Oktober-november 1989

Ter gelegenheid van mijn zestigste verjaardag (19 januari 2009) online gezet, als herinnering aan het eerste afscheid dat ik in mijn familie heb meegemaakt. Deze tekst is gebaseerd op echte feiten en gesprekken. De namen werden wegens privacyredenen gewijzigd.

Zaterdag 23 uur

Danny:  Hoe laat is 't moeder?

Moeder: 't Moet rond elf uur zijn. Ben je nog niet moe, Danny? Ik zal wel overnemen als je moe bent.

Danny: Nee, het gaat wel. Ik heb het een half uurtje geleden moeilijk gehad. Maar nu is 't over. Nee, slaap maar.

Moeder: Je kunt misschien wat gaan liggen. Ik luister wel: ik slaap toch met één oog open.

Danny: Nee, moeder. Slaap maar. Voor mij is het pas de eerste nacht. Jij hebt het al weken moeilijk gehad.

Moeder: Hoor ik daar iets? Roept hij? Wacht, ik ga eens kijken.

Danny: Nee, blijf maar liggen in je zetel, moeder. Ik ga wel zien. Ik ga wel weer naar vaders kamer.

Moeder: Allez, 't is goed. Maar als er iets is, maak me maar wakker.

Danny: Je mag er op rekenen. Maar er zal niets gebeuren. Slaap maar.

Danny: Ja, vader, ik ben er. Is er iets?

Vader: Ik moet. Ik moet.

Danny: Ja, vader. Ik zal je helpen. Kom, pak m'n hand maar vast. Zo zie. Kom, nog een duwtje. 't Is niet ver. Kom, steun maar op mij. Ja, zo, 't Zal wel gaan. Heel voorzichtig.

Vader: Ik moet. Haast je. Haast je.

Danny: Ja, vader, Maar we moeten zien dat we nergens tegenaan stoten.   Dat je niet valt.

Kijk, moeder ligt hier in de zetel te slapen. We gaan ze niet wakker maken. Ze is moe.

Vader: Haast je. Haast je toch.

Danny: Zo, we zijn er bijna. Nog even door het deurgat. Pas op. Ik passeer eerst. Wacht, ik pak je armen vast. Steun jij maar op mij.

Vader: 't Is tijd. Laat me. Ga weg.

Danny: Jaja. Je moet niet bang zijn. Hier, ik help je even.

Vader: Ga weg. Ik zal 't doen. Foert, ga weg.

Danny: Zal ' t gaan? Hier - zo, ga maar zitten, vader. Gaat het?

Vader: Ja, ga weg. Foert. Haast je. Haast je.

Danny: Kijk, ik blijf hier aan de deur staan. Roep maar als je klaar bent.

Vader: Komen. Haast je. Komen.

Danny: Ja ja, ik ben er. Allez. Sta maar op. Wacht, ik help je. Ja ja, ik trek je broek naar omhoog. Ziezo.

Vader: Bed. Naar bed. Slapen. Haast je. Haast je toch.

Danny: Ja, vader. Maar voorzichtig. En rustig, moeder ligt in de living te slapen. Ze is moe. We gaan heel stilletjes langs haar heen. Stapje voor stapje.  Pas op, eerst door de deuropening.

Vader: Wacht. Eerst naar buiten.

Danny: Naar buiten, maar vader, 't is koud. 't Vriest. Je kunt jij toch niet naar buiten. Je zou bevriezen. Kijk, de ruiten zijn bevroren. En 't is hier in de keuken al zo koud.

Vader: Buiten. Mijn wortels. En mijn aardappelen. Naar buiten. Kom. Haast je.

Danny: Maar vader, je aardappelen zijn er al lang uit.'t Is winter, 't Is allemaal hard dichtgevroren.

Vader: Buiten. Goddorie. Ik moet buiten.

Danny: Maar vader, 't is donker. Je ziet toch niks buiten. En er staan geen aardappelen.

Vader: Géén aardappelen? Wortels dan? Haast je. Doe open. De deur. Open.  Allez. Goddorie.

Danny: Maar vader, ‘t kan niet. Je mag niet van de dokter. Je hebt al een grote bronchitis. Kijk, je begint al te hoesten.

Vader: Verdorie toch. Vent toch. Buiten. Sproeien. Mijn aardappels.

Danny: Maar er zijn geen... Maar vader, ik heb gister gesproeid.

Vader: Gister? De aardappels?

Danny: Ja, met van dat speciaal poeder van uit 't kot. Je weet wel. Mengen met water. Je weet wel.

Vader: Zien. Buiten. Laat me kijken. De deur. Open.

Danny: Ik kan niet, vader, de deur is gesloten. Ik heb geen sleutel. Allez, je moet aan dat slot niet staan morrelen. Ja maar, je moet me niet wegduwen. Je kunt toch niet alléén gaan.

Vader: Ga weg, jij. Ga verdorie weg. Wat doe jij hier?

Danny: Ewel, ik blijf wat bij jou zitten voor als je moet hoesten.. Gewoon. .. allez, je hebt toch een grote bronchitis. Hoor eens hoe je moet hoesten.  Mens toch. Je ziet toch dat je niet naar buiten kunt, met zo'n hoest. Allez, vader, denk eens na.

Vader: Buiten. Laat me. Ga weg. Laat me los.

Danny: Ja maar, vader, straks val je nog. Zie je nu, je zakte bijna door je  benen. Laat me je vasthouden.... Zo. Is dat niet beter?

Vader: Ga weg. Ik alleen. Buiten. Ik stik. Warm. Buitenlucht.

Danny: Heb je het te warm, vader? Wacht, ik ga die deken eens van je schouders nemen. Gaat het zo beter?

Vader: Naar bed. Moe. Haast je. Nee, wacht. Eerst buiten.

Danny: He, vader, je moet me nu niet wegduwen. Hé, pas op, straks doe je me nog pijn.  Moeder.... moeder.

Moeder: Ewel, ventje, wat gebeurt er? Moet je naar 't toilet?

Danny: Nee, hij is pas geweest. Maar hij wil naar buiten. Maar zijn aardappelen kijken. Je ziet dat van hier dat dat niet kan.

Moeder: Natuurlijk niet, in zo'n koude. Vader...

Vader: Hum. Buiten, 't is hier warm.

Moeder: Jaja, we gaan morgen naar buiten. Maar 't is laat. Weet je hoe laat,  vader? 't Is over elf uur, ’s nachts. Je zou jij toch niks zien? Allez. Kalmeer maar.

Vader: Snoeien? Mijn snoeischaar,.,

Danny: Maar vader, je kunt toch...

Moeder: Laat maar, Danny. Jaja, Danny gaat morgen alles eens goed snoeien. Dat je wat verder kunt zien. Zo, kom, we gaan nu op ons gemakske naar bed. Danny, ik zal wel overnemen. Ventje, steun maar op mij. Zo. Leg je handen op mijn schouders. Dan gaan we zo rustig naar je bed. Zo. Rustig. Niet overhaasten.

Vader: Morgen snoeien. Danny, morgen snoeien, he?

Danny: Ja ja, vader. Je mag erop rekenen. Morgen snoei ik alles mooi af. En de afval breng ik naar de container.

Vader: Niet teveel ook. Moeder kwaad.

Danny: Ja, 'k weet het vader, moeder heeft dat niet graag dat je teveel afsnoeit.

Moeder: Och, 't geeft niet hoor, vader. Hij mag snoeien wat hij wil. Je moet maar zeggen wat er zo allemaal weg moet. En hij heeft een boomzaag ook. Moeten er ook bomen af struiken weg?

Vader: Ja, voor mijn aardappelen. Meer zon. Betere groeze.

Moeder: Ja, maar je aardappelen staan er goed bij, weet je? En je wortels, 't Is niet te geloven dat ze zo groot geworden zijn. Maar ja, Danny en Frederik komen geregeld je land doen.

Vader: Ah!

Moeder: Ah, ik ben blij dat je nog kunt lachen, vader. Je hebt toch goeie zoons die alles voor je doen. Morgen gaan ze snoeien.

Vader: Frederik snoeien.

Danny: Ja, Frederik zal dat doen. Hij  kan dat beter. Hij heeft handen aan zijn lijf.

Vader: Lijf. Ziek. Mijn lijf ziek.

Moeder: Maar neen, je hebt een grote bronchitis. De dokter heeft gezegd dat je moet binnen blijven, veel slapen en veel drinken.  Je z...

Vader: Ziek. Doodgaan. Stop. Stop. Goddorie. Niet duwen. Blijf.

Danny: Wat krijgen we nu?

Vader: Zie je? Spiegel. Ikke.

Moeder: Kom, Danny, hij moet direct in bed. Van de spiegel weg. God, wat een macht heeft hij. Help eens duwen, weg van de spiegel.

Vader: Blijven. Zien. Ikke. Ziek. Mager. Mijn gezicht. Mager. Mijn handen graatmager. Dood gaan.

Moeder: Maar neen, vader, je hebt de laatste tijd niet veel gegeten. Je hebt alleen maar geslapen. Koorts gehad. Je hebt al je vet afgezweet. En je was al niet dik voor dat je ziek werd.

Vader: Koud. Rillingen. Mijn rug. Naar bed. Haast je.

Moeder: Vooruit, Danny. Help me. Neem eens over. Ik voel mijn eigen ledematen niet meer. Hij moet in bed. Anders jaagt bij zich weer op als geen een.  Je hebt hem nog zo niet meegemaakt, zeker? Kijk, zijn ogen vallen toe.

Danny: 't Is net een slaapwandelaar. Slaapt hij eigenlijk. . . Vader?. . . Vader. . .

Moeder: Ja ja, hij hoort ons niet meer. God, mens, sta me bij, als hij zo opgewonden geraakt, 't is net alsof hij ergens naartoe wil, alsof hij hier weg wil...Wat ben ik blij dat we hem kalm hebben gekregen.

Danny: 't Is hier toch warm, zeg maar: bevangen. En al de vensters dicht. En met twee mensen die hier liggen te slapen. Misschien heeft hij ademnood. Ik begin het hier anders ook behoorlijk warm te krijgen. Ligt de luchtververser aan?

Moeder: Maar ja, hij ligt toch altijd aan. Hele dagen in dezelfde kamer. En bijna niet meer bewegen. Een mens zou voor minder in ademnood geraken.

Danny: Hij weet in ieder geval nog goed genoeg waar hij is. Heb je hem nu bezig gehoord over zijn tuin? Hij wilde naar buiten. Moet je dat eens meemaken.

Moeder: Oh, jongen, dat is hier bijna iedere avond hetzelfde. Altijd maar over die tuin. Maar vandaag was 't wel erger. Anders vraagt hij er alleen maar naar. En 't beste is hem gelijk te geven, altijd met 'ja' antwoorden. Anders denkt hij dat zijn tuin er helemaal verwaarloosd bij ligt. Daar is hij altijd mee bezig. Allez, schik zijn bed eens goed. Of wacht, heb je hem goed vast? Want hij weegt als een hond. Mens toch, ' t is niet te geloven. Zoveel wegen en zo mager.

Danny: Verschrikkelijk. Zijn armen, 't Is niet om aan te zien. Het vel over de benen. Vader toch, jou zo te moeten zien...

Moeder: 't Is vreselijk. Je eigen vent zo te moeten zien aftakelen, 't is niet menselijk.

Danny: Allez, moeder, je moet nu niet huilen. Straks wordt ie wakker en ziet ie het. Je wil toch niet...

Moeder: 't Is waar, jongen, maar 't was me te machtig. Ik heb het allemaal  meegemaakt. Van de eerste dag bij 't onderzoek, tot nu. Ik weet niet of ik het nog lang zal kunnen uithouden. Maar hij wilde naar huis. Hij wilde thuis. Geen ziekenhuis. Maar 't is en blijft lastig, Ik zou het niemand aanraden, 't Is zo lastig.

Danny: Allez, moeder. Hij heeft het toch gewenst om weer naar huis te gaan. Hij is nu thuis. Hij weet dat hij thuis is, want zijn tuin, dat speelt toch altijd door zijn geest. En hij wéét welke deur hij moet nemen. Hij wéét het.

Moeder: Ja, natuurlijk, daarom ook ben ik blij dat ie thuis is, dat we allemaal bij hem zijn. De laatste dagen van zijn leven. Maar hij mag het niet beseffen dat hij dood gaan. Je mag het hem niet zeggen. Nooit. Beloofd, Danny?

Danny: Beloofd, maar als hij het nu eens écht vraagt. Als hij zegt, Danny, ben ik nu aan het doodgaan of hoe zit dat? Wat moet ik dan zeggen? Dat is toch liegen als ik zeg dat hij maar een bronchitis heeft, en dat hij weer helemaal de oude wordt.

Moeder: Kom, hij slaapt rustig. Kom maar mee, want van al dat gefluister word ik nog moeër. Shhht. Stil. Wacht, ik bedek zijn hand nog eens wat beter. Het ziet er zo wit uit. Zo grauw. Och, mens, dat we allemaal ook hetzelfde zullen meemaken, 't Is zo hard.

Danny: Ik zou wel iets kunnen drinken. Is er nog iets om te drinken?

Moeder: In de koelkast zit er nog wel iets. Een pintje zul je er wel vinden. Ofwel in de kelder. In de kelder staat er zeker nog een bak bier. Of een fles wijn. Je ziet maar. Ik heb ook dorst. Breng eens een glas water mee.

Danny: Gewoon plat water of. . .

Moeder: Plat. 't Mag ook kraantjeswater zijn. Mijn lippen zijn zo droog. En vergeet ook niet af en toe vaders lippen wat te bevochtigen. Hij heeft dat doodgraag, dat je zijn lippen wat nat maakt. Want hij kan bijna niks meer binnen krijgen. Hij kan niet meer slikken, 't is toch wreed, 't Is wreed.

Danny: Och moeder, ik weet het. 't Is niet te verstaan hoe een mens zo kan worden. Iemand die je je hele leven hebt gekend. Op enkele maanden een andere mens. 't Is alsof ons vader een andere mens is geworden. Zo mager. Godverdomme, dat ze nog altijd niks hebben gevonden om iets te doen aan die ziekte. Maar voor kruisraketten, daar hebben ze nog miljarden voor.

Moeder: En voor sigaretten. Al die reclame. Je moet maar de krant openslaan, 't Is van 't zelfde. Ze hebben daar zeker nog niet meegemaakt wat wij hebben meegemaakt, 't Geld. 't Is alleen maar geld dat telt.

Danny: Och moeder, 't is nu toch te laat. Laat hem toch.

Moeder: En zeggen dat hij nog altijd rookt. Nog altijd.

Danny: Wat zeg je? Nog altijd? Dat kan niet. Vraagt hij nu nog echt naar een sigaret? Nu nog? Dat kan gewoon niet.

Moeder: Och, ik dacht dat hij meteen zou gestopt hebben, toen hij hoorde dat het dat was. Allez, de specialist heeft het hem niet rechtstreeks gezegd, maar van die vlekken op zijn longen, dat zag hij ook aan die plakken. Hij was niet dom. Hij heeft daar later geen woord meer over gezegd. Hij heeft niets meer gezegd, de hele dag niet meer. 't Was alsof hij wist dat het met hem gedaan was. Hij heeft vroeger altijd gezegd: als ik geen sigaret meer in mijn mond wil, dan is het met mij gedaan. Ik ben blij dat hij nog om een sigaret vraagt.

Danny: 't Is niet te geloven hoe een mens zo verslaafd kan zijn. Ik mag er niet aan denken, dat ik zo zou worden. Gelukkig dat ik niet rook. Ik kan geen sigaret meer zien.

Moeder: Och, Danny, je mag zo niet zijn. Misschien was je vader aan iets anders gestorven. Maar, je vader heeft een sterk hart, dat weet ik, de dokter zei het ook. Hij zou nog jaren kunnen blijven leven, want zijn gestel is formidabel. Maar zijn hart. 't Zal zijn hart zijn dat begeeft, 't Is raar, maar op den duur word je zelf gehard. Het is net alsof ik bezig ben over een wildvreemde.

Danny: Zwijg, stil, ik denk dat ik hem hoor.

Danny: Nee, hij slaapt. Ik heb zijn lippen wat bevochtigd. Ga jij maar slapen, moeder. Weet je wat, in plaats van in de zetel, ga jij maar boven in je bed. Straks is het weer ochtend, en dan heb je weer bijna niet geslapen. Je moet zien dat jij ook ziek wordt. Ik zal dan wel vanaf een uur of tien wat gaan slapen. Ik zal het wel aankunnen. Nu weet ik meer wat ik moet doen.

Moeder: En als er iets is, roep dan maar. Ik ben toch meteen wakker. Ik slaap overal, maar ik ben ook meteen weer wakker, bij het minste geluid.

Danny: Ja ja, ga maar. 't Zou moeten wel lukken dat vader nog eens zo gespannen geraakt. Ik zal hem wel weten te kalmeren. Kom, ga maar naar je bed. Als er iets is, roep ik wel. Slaapwel.

Moeder: Maak me wakker om tien uur. Dan kan ik je aflossen. En morgenavond komt Frederik ook. Dan kun je om beurten waken en slapen. Ik ben echt blij dat je vanavond thuis bent gebleven.

Danny: Mijn vader gaat vóór het feest.

Moeder: Welk feest? Was er vanavond ergens feest? Moest je ergens naartoe? Toch niet van je werk?

Danny: Nee, 't was een eerste keer dat de veertigjarigen samen kwamen.   Ik was ingeschreven, maar ik heb het afgezegd, 't Is nogal logisch.

Moeder: Was je toch niet beter geweest, Danny? Ik had het alleen kunnen berooien, ook hoor. Nu, ik ben aan de andere kant blij dat je hier bent. Je komt anders al zo weinig.

Danny: Weinig? Ik kom toch om de week, zeker nu vader ziek is.

Moeder: Ja maar, als hij er niet meer is, dan zul je je verwijten maken dat je meer had moeten komen. En misschien wéét hij het al niet meer dat je er bent.

Danny: Nee, misschien weet hij het niet. Maar ik ben er toch? Dat is toch het voornaamste?

Moeder: 't Is waar. Allez, de kaarsen liggen in die doos daar op de schoorsteenmantel. Zou je er beter geen verse aanmaken? Straks brandt die kaars een gat in het tafelkleed. En als je koffie wil zetten, er staat er in de kast. Je zou er best maken, want je ogen staan rood, zie dat je straks nog in slaap valt. Ik ga slapen. En vergeet me niet te wekken om tien uur. Slaapwel.

Danny: Slaapwel, moeder.

Moeder: Slaapwel, ventje. Tot morgen. God zegene en beware u.

 

zondag, 02 u.45

 Danny:  Shtt.  Stil,  vader. Ik help je wel. Je moet dat niet alleen proberen.

Vader: Ach, Danny. Wat doe jij hier?

Danny: Bij jou zitten, vader. Kom, ik hef je wel uit bed.

Vader: Stijf. Ooei. Oeioeioei. Ik ben stijf.

Danny: Ik help je wel. 't Is niks. Daarom ben ik hier. Om je te helpen. Kom, rust maar op mijn schouders.

Vader: Sigaret?

Danny: Ja, wacht. Waar liggen ze? Ach, ginder. Ik zal ze aansteken. Minuutje.

Vader: Rechter. Zet me rechter. Donker. Is 't licht stuk?

Danny: Nee, nee. Maar anders zou het hier te klaar zijn. En je zou niet kunnen slapen. Hier zie. Ik maak ze aan en stop ze in je mond. Maar nee, vader, zie je nu? Je beeft zo. Ik zal je helpen.

Vader: Niet helpen. Alleen. Wég. Geef.

Danny: Allez, kom. Probeer nog een keer. Maar laat ze niet vallen, anders staat je bed in brand.

Vader: Bah. Doe weg. Slecht. Wég. Haast je.

Danny: Ja ja, direct zie. Waar is de asbak? Ach daar. Wacht, blijf recht zitten.   Met mijn ene hand hou ik je tegen. Gaat het? Kom. Wat is ' t?

Vader: Liggen. Dorst. Drinken.

Danny: Hier zie, een beetje drinken, 't Is water met wat suiker in, moeder zegt dat je dat graag drinkt.

Vader: Moeder?

Danny: Ja, ze slaapt. Nee, je moet niet proberen met je ene hand. Probeer zo eens. Ja. Zo. Oei. Wacht, ik kuis het wel op. 't Is niks. Hier, kijk, ik heb hier een doekje met wat water aan. Je lippen zijn gesprongen. Hier. Daar zie.

Vader: Nog. Nog

Danny: Voila zie. Dat doet deugd zeker?

Vader: Ziek. Ik ben ziek.

Danny: Ja, vader, maar daarom zijn we hier bij jou.

Vader: Help me. Ik moet. Ga weg. Ik doe het alleen. Wég.

Danny: Ja maar, vader, moeder heeft gezegd dat ik je moest helpen. Straks val je nog uit je bed. Kom, steun maar op mij. We gaan naar 't toilet. Kom, probeer maar. Gaat het? Je moet je niet forceren... Ja, zo zie. Stapje voor stapje, 't Zal wel gaan. Weet je wat, we doen zoals bij moeder. Ik loop voor, en jij legt je armen rond mijn hals, zo kun je met de armen op mij steunen. Maar zou 't niet beter zijn als ik de pan geef?

Vader: Haast je. Haast je. Vooruit. Kom, mens. 't Gaat te laat zijn.

Danny: Maar dat is niks. 't Is toch op te kuisen. Je hebt jij vroeger ook al 't een en ander van mij mogen opkuisen, als ik nog een baby was.

Vader: Frederik. Zeg eens. Ik ga dood zeker. Ik ben aan 't sterven, zeker? Och mens, mijn hoofd, 't Schemert.

Danny: Maar nee, vader. Zeg, ik ben het, de jongste, Danny. Kom, we zijn er bijna.

Vader: Ik voel het. Leeg. Alles leeg. Ingewanden leeg. Hoofd leeg. Hoelang?

Danny: Hoelang, vader? Ja, je bent toch al enkele weken goed ziek; maar de dokter zegt dat het zal genezen. Je moet gewoon geduld hebben. Véél slapen, en proberen te drinken. Maar je moet moed hebben, je mag je niet laten gaan.  Kom, sta maar op, 't is voorbij.

Vader: Nee, niet. Ga weg. Wacht, 't Is voorbij. Kom. De vogels.

Danny: De vogels, vader? Welke vogels?

Vader: De kanarievogels. Hoor. Luister.

Danny: Ja, vader , ik hoor ze. Hoor je? Hij spreekt tegen jou.

Vader: Pietje. Fluit. Kijken.

Danny: Hoe kijken? Naar de vogels?

Vader: Kanaries. Drinken. Eten.

Danny: Ja, 't is in orde, vader. Ik heb ze vandaag nog vers eten en drinken gegeven. En blij dat ze waren. Zo fluiten!

Vader: Horloge? Laat?

Danny: Ja, vader, ' t is al laat. Straks gaat het dag worden. Maar jouw horloge weet ik niet liggen... Kijk, zie je hoe laat?

Zou je niet beter weer in je bed gaan liggen? Je staat hier nu al zo lang recht. Kijk, je begint op je knieën te knikken. Gaan we?

Ach, ja, geef me maar een duw als je weg wil. Zo zie. Daar zijn we weer weg. 't Begint plezant te worden, hé, vader, 't Is alsof we treintje spelen, zoals we dat vroeger deden. Kom, nog enkele meters. Zo. Voorzichtig. Hier, ik ga je hoofdkussen nog wat opschudden. Lig je goed? Ach, je bent moe, ik zie het.

Vader: Drinken.

Danny: Ja, hier, een beetje vocht aan je lippen. Dat doet deugd, niet?

Vader: Nog.

Danny: Ziezo. Slaap nu maar weer. Je zult er deugd van hebben. Ik blijf hier bij jou zitten. Als er iets is, dan geef je maar een teken.

 Zondag, 7 u.20

Danny: God, moeder, wat is er? Je zou tot tien uur slapen, zei je? Is er iets gebeurd?

Moeder: Nee, jongen, ik kon de slaap niet meer vatten. Maar ik heb toch een paar uur goed geslapen. Hoe laat is het?

Danny: Bijna half acht. Blijf jij een beetje bij vader. Ik ga koffie zetten. We gaan er alle twee deugd van hebben. Van een goeie pot koffie.

Moeder: Ik zou eerst wat water aan mijn gezicht willen doen. Hoe is 't geweest, vannacht? Is hij lastig geweest?

Danny: Nee, dat ging nog. Een paar keer naar 't toilet, anders niets. En hij had dorst, veel dorst. Ik heb zijn lippen bevochtigd. Maar hij kan niets meer drinken.

Moeder: Ja, je vader heeft een sterk gestel. Wat moet hij al die weken en maanden niet hebben afgezien. Sht. Stil, hij beweegt.

Hier zie. Ik leg nog een deken op, hij ziet er zo kouwelijk uit. 't Is wreed iemand zo te zien afzien. Of zou hij geen pijn meer hebben? De dokter heeft hem ingespoten tegen de pijn. Als hij weer zeer zou krijgen, moeten we de dokter direct opbellen. Ook 's nachts. Verder kan hij niks doen. Hij zal stilletjes uitdoven, zei de dokter. Maar vader heeft een sterk gestel. Hij kan hier nog weken liggen afzien. Ik hoop dat hij niet lang afziet. Dat hij vlug sterft, 't Is raar zeggen, maar 't is niet om aan te zien, waarom kunnen ze daar toch niets aan doen? Welk een vreselijke ziekte. En toch niet kunnen stoppen met roken. Zo verslaafd. Maar ja, op 't einde liet ik hem doen, als hij daar nog plezier in had. Hij rookte ze trouwens nooit helemaal op. Maar 't was gevaarlijk. Overal vond ik brandende peukjes. In 't toilet. De badkamer. Op het nachttafeltje. Overal die stinkende peuken. Heeft hij er nog een gevraagd, Danny?

Danny: Ja, moeder, maar hij kan ze in zijn hand niet houden. En hij heeft er maar één trekje aan gedaan. Bah, zei hij. Slecht.

Moeder: 't Is begin van 't einde. Dat zeg ik je. De dokter heeft het voorspeld: als hij niet meer rookt, zal hij...

Danny: Kom, moeder, dat wil niks zeggen. Vader blijft nog lang bij ons. Je zult zien. En hij zal er nog wel een opsteken. En hij zal nog vertellen van vroeger. Weet je, hij vroeg naar zijn kanaries.

Moeder: Kanaries. Maar die zijn toch al lang weg. Ze zegden me dat dat ongezond was, ze in huis te houden. Ik heb ze dan weg gedaan. Hij zei zelf dat hij blij was dat ze weg waren. Ik heb gezegd dat de kinderen van Frederik er zouden voor zorgen. Hij was er zelfs blij om. Vroeg hij echt naar de kanaries?

Danny: Ja, moeder. Maar ik heb gezegd dat ik ze al eten en drinken had gegeven. Hij had ze gehoord, zei hij. Ik moest meeluisteren. Maar 't waren zeker vogels van buiten.

Moeder: Of in zijn gedachten. Want 't is nog altijd pikdonker. Dat is nog te vroeg voor de vogels. Zeker in de winter.

Kom, we gaan naar de keuken. Hij slaapt rustig. Zijn ademhaling is nu veel kalmer dan vannacht.

Danny: Hoeveel lepels koffie gebruik je, moeder?

Moeder: Vijf koffielepels en één kannetje water, Danny. Daar ginder, op 't aanrecht, 't Zal deugd doen, een pot koffie.... Vroeger dronken we altijd samen koffie. Het is al een tijdje dat hij er geen meer wil. Af en toe dronk hij nog wat thee. Heel slappe thee, met véél suiker. Maar nu drinkt hij niks meer. Als hij maar niet gaat uitdrogen.

Danny: Daarom moeten we hem toch geregeld wat water proberen te geven. Maar ja, hij slikt niets meer in.

Moeder: Wat is 't leven toch soms triest... 't Is niet te geloven. Maar we mogen blij zijn dat vader bij ons ligt. Dat hij niet in zo'n ziekenhuis ligt, met al die apparaten, die machines en die slangen en die ...

Danny: Ja, moeder. Hij heeft toch zijn wens: hier bij ons, in ons huis te mogen sterven. Bij de mensen die hij kent, die van hem houden.

Moeder: Maar ze verstaan dat niet, zij, ze zeggen: waarom doen die dat? Dat is toch van den ouden tijd. Er is er voor iedereen toch de makkelijkste oplossing: daarvoor zijn de ziekenhuizen toch, om de mensen te ontlasten, om ze het makkelijker te maken. Maar vader zou daar helemaal alleen liggen, tussen al die vreemde luizen, en weg van zijn dorp waar hij geboren is, zijn grond, zijn huis.

Danny: Dat was een goeie beslissing, moeder. Gelukkig dat de dokter achter jou staat. Ziek zijn en sterven op een vreemde plaats, dat moet erg zijn. Hij moet toch nog heel goed weten waar hij ligt, en hij herkent ons toch nog. Alhoewel, hij verwarde me met Frederik.

Moeder: Dat is te verstaan, je moet hem dat niet kwalijk nemen. Hij verwarde vroeger ook toch af en toe een keer. Zo gewoon, in 't spreken. En ik moet ook opletten, bij de kleinkindjes. Ik sla hun namen altijd door mekaar. Nee, Danny, je moet hem dat niet kwalijk nemen. Zijn memorie is sterk achteruitgegaan, de laatste maanden. Hij vergat het ene met het andere. Hoe dat een mens toch kan komen, 't is niet te geloven. Ik hoop maar dat ik altijd bij mijn verstand mag blijven; anders zou ik op de slag dood willen zijn. Dat ze maar niet te lang miserie hebben met mij. ' k Zou een briefje tekenen dat ze de machines maar moeten stil leggen als ik niet meer weet of ik nog op de wereld ben.

Danny: Ja, ja moeder. Je moet daar niet over beginnen, 't Is al lastig genoeg met vader. Je ziet er zo vermoeid uit, je ziet er echt niet goed uit. Wat zegt de dokter van jou?

Moeder: Niks. Ik vraag hem niks. Hij zou toch iets zeggen als ik er ziek zou uitzien.

Danny: Misschien. Je moet in ieder geval proberen regelmatig te slapen,

Moeder: Dat is makkelijk zeggen. Ik wil nog zoveel en zolang mogelijk bij mijn man zitten, voor de tijd die ons nog rest. Zwijg. Hoor ik daar iets? ,..Ach nee, 't is 't pruttelen van de koffiezet. Een mens zou van alles denken. ...Ach, de koffie is doorgelopen.

Danny: Dat zal deugd doen, zie.

Moeder: Je moet er maar niet te veel van drinken, want anders kun jij ook niet meer slapen.

Danny: Slapen? Ik ga niet slapen. Ik zou toch niet kunnen. Vanavond zullen we om beurten kunnen slapen. Frederik komt, dus: ik zal mijn slaap wel inhalen. Ik ben nog jong. Jij zou beter wat aan je eigen gezondheid denken.

Moeder: Allez, 't is goed. 't Is te hopen dat Frederik er bij zal zijn als het gebeurt.

Danny: Hij komt toch vroeg op de middag?

Moeder: Ja, 't kan zijn - als zijn auto uit de garage was.

Danny: Lag hij in panne? Hij had toch geen ongeluk met zijn nieuwe auto?

Moeder: Nee, nee, onderhoud zeker, of zoiets.

Danny:  Op een zondag. Dat is raar. Nu ja, als hij hem in de week altijd nodig heeft. 't Zal het enige moment zijn dat past. Maar ik ken geen garage die op zondag open is. Raar...Ik ga eens kijken hoe het is met vader.

Hij slaapt heel rustig. ' t Is alsof hij beter slaapt gedurende de dag dan 's nachts.

Moeder: Ik weet het niet. 't Is ook soms anders. Soms ligt hij een hele dag wakker. Zijn ogen open. En t is alsof hij mij niet eens ziet. En dan een moment nadien, zie je aan de flikkering in zijn ogen dat hij mij herkent. Als ik zijn hand dan vastpak, dan is het alsof hij zegt: "Blijf maar bij mij. Ik vind het goed dat je mijn hand vast neemt. Kom bij mij zitten. Ik zal je iets vertellen. Maar hij zegt niks. Toch voel ik dat hij zo knijpt in mijn hand, alsof hij wil zeggen: "Je moet niet weggaan. Blijf maar hier zitten, zoals vroeger, toen we nog jong waren." Och mens, 't wordt me te machtig. En ik mag niet wenen, want als hij me zou zien, dan zou hij in paniek slaan, en begrijpen dat er met hem iets vreselijks zal gebeuren. Nee, hij moet rustig kunnen sterven. De pastoor moet niet te vlug komen. ' t Is goed dat hij hem altijd veel is komen bezoeken, en hij is gerust van geweten, hij heeft laatst nog gebiecht, je weet wel, ze doen de ronde voor de zieken. Zo is dat goed. Anders zou een mens direct denken dat hij maar een paar uur meer te leven heeft. Nee, de pastoor moet hem maar de laatste sacramenten toedienen als hij ons niet meer herkent, als hij in geest dood is. Zo moet dat, denk ik.

Danny: Ja, moeder. Je hebt gelijk. Trouwens, wat zou ons vader mispeuterd hebben in zijn leven, tenzij kleine dagelijkse zondekes zoals jij en ik, zoals iedereen? Hij zal rustig en op zijn gemak kunnen naar de hemel gaan.

Moeder: Zo is dat, jongen. Kon hij niet maar zo zonder gejaag en in alle peis en vrede van de wereld gaan, jongen. Zonder pijn, zonder angst. Want 't schijnt dat die laatste momenten, als ze weten dat ze gaan sterven, dat dat de moeilijkste ogenblikken zijn. Zo, vlak voor de dood. Daarom moeten wij allemaal bij hem zijn. 't Is te hopen dat Frederik er bij zal zijn. Hij moet erbij zijn. Och jere, ik moet me bedwingen, want vader mag het niet zien dat ik zo'n verdriet heb. Hij zou direct vragen wat er aan de hand is. En wat zou ik dan moeten zeggen? 't Is al zo lastig om te verzwijgen dat hij echt zal sterven.

Danny: Zou het niet beter zijn als je hem zou zeggen dat hij dood gaat - allez, ik bedoel, héél voorzichtig - dat hij kan afscheid nemen.

Moeder: Afscheid nemen? Hoe moet dat? Hoe stel je je dat voor? Weten dat je hem niet meer, nooit meer zult zien, dat je voor eeuwig en altijd weg bent, dat je leven afgelopen is. Ik kan het hem niet zeggen, en ik wil niet. Hij moet de laatste minuten van zijn leven rustig blijven. Niet panikeren. En ten andere: hij wéét het toch, denk ik.

Danny: Ja, vannacht heeft hij het zelf gevraagd.

Moeder: Wat zeg je? Heeft hij er over gesproken? En hoe? Wat zei hij? Je hebt toch niet gezegd dat hij op sterven ligt?

Danny: Maar nee, moeder. Hij vroeg, zo van "Ik ben zeker aan 't sterven?" Ik heb het toch moeilijk gehad om niet te antwoorden.

Moeder: Je ziet jongen, dat hij het toch weet, nietwaar? Maar misschien is er toch altijd een vleugje hoop, een heel klein beetje verwachting dat er een mirakel gebeurt...

Danny: Dat hij misschien door medicamenten en medische apparatuur nog enkele maanden langer zou geleefd hebben?

Moeder: Langer geleefd...Hoe langer geleefd? Met al die apparaten rond en in hem, en met die verdovende middelen? Ik noem dat geen leven meer. Dat zou voor hem geen leven zijn. De laatste keer dat hij in het ziekenhuis lag, wilde hij er geen minuut langer blijven - en hij heeft toen gezegd, dat hij thuis wilde sterven, en niet in zo'n fabriek. Niet bij al die vreemde luizen, en tussen al die machines.

Danny: Ja, vader was het liefst thuis, in zijn huis, in zijn tuin. Hij zou in 't ziekenhuis niet kunnen vragen om nog eens naar zijn aardappelen te gaan kijken.

Moeder: Nee, ze zouden hem moeten vastbinden. En de verpleegsters zouden hem plat gespoten hebben, want zo om de haverklap bij hem zijn, dat zouden ze niet kunnen doen. Ze zouden hem een enorme lastigaard gevonden hebben, ze zouden hem laten roepen. En zie je hem al liggen, als hij zijn laatste adem uitblaast, tussen al die vreemde mensen?. . Nee, Danny, zijn plaats was en is hier. En hij heeft de laatste mooie dagen bij mij doorgebracht. Dat zijn dagen die ik nooit zal vergeten, die ik altijd zal meedragen. Ook al is vader zo mager geworden, bijna niet meer te herkennen. Maar ik wil hem bij mij hebben, tot de laatste minuut. En hij moet in de voorplaats opgebaard worden. Dat de mensen hem nog eens thuis kunnen bezoeken, een echt laatste huisbezoek aan vader.

Danny: Doen ze dat nog, moeder? Kan dat wel nog? Gaat dat niet teveel bijkomend werk zijn voor iedereen?

Moeder: Mijn besluit staat vast. Waarom zou dat niet kunnen? Vader zou dat gewild hebben, dat hij thuis ligt, niet bij vreemde mensen. Neen, dat wil ik zo.

Danny: Als je dat wil, moeder, dan zal dat zo zijn. Als je er zelf maar niet aan ten onder gaat.

Moeder: Wat denk je wel, Danny? Ik kan er wel moe uitzien, maar ik kan toch nog na al die weken en maanden dat hij thuis ziek was, toch nog het enige doen wat ik voor hem kan doen. Daarna moet hij nog een prachtige zerk hebben - geen gewone, maar een speciale, een van wie je meteen ziet dat vader daar ligt.

Danny: Och, moeder, je moet daar nog niet van beginnen. Vader kan nog weken thuis liggen, en misschien wordt hij nog heel wat beter. Dat kan toch.

Moeder: Nee, Danny, ik denk het niet. De dokter heeft gezegd dat het plotseling kan gaan - zijn hart zal het begeven. Maar zijn gestel is sterk. Hij heeft altijd veel macht gehad, weet je dat niet meer? Zulke spieren, mens! Als je een trek of een slag van zijn armen zou krijgen... Ik heb dikwijls mijn hart vast gehouden als hij in zijn moestuin aan 't spitten was. Zelfs nog tot voor een paar jaar, hij kon zo hard werken, en zo lang, zonder stoppen, dat ik hem zelf naar binnen riep om wat koffie te drinken, of een glas bier. 't Zweet stond hem soms op zijn voorhoofd. En hij zweette al zo moeilijk. Een taaie vent, dat was je vader. En zie hem nu liggen. Kom, we gaan eens kijken.

Danny: Ja, moeder. Eerst nog mijn koffie uitdrinken. Een seconde.

Moeder: Ik ga hier wat bij hem zitten. Kijk, pak jij die stoel daar die aan de deur staat. We kunnen even goed hier zitten. Moet je nog wat koffie? Je kunt even goed hier nog wat koffie drinken. Ja, ik zit hier gaarne bij hem. We moeten wij niks zeggen. Ik zit hier gewoon bij hem. Ik denk dat hij dat weet, als ik hier zit. Hij zoekt zo dikwijls met zijn hand, zo over de dekens, tast hij naar mijn hand. 0, mens, zijn hand is koud. Dat heb ik nog nooit gehad, voel eens, Danny... Zou hij...

Danny: Nee, hij ademt. Heel zachtjes. Kijk, zie je...

Moeder: Ja, ach, hij knijpt weer in mijn hand. Kijk. Hij weet dat ik hier ben.  Och, jongen, zou Frederik niet kunnen komen? Zou je niet kunnen telefoneren dat hij meteen komt? 't Zou toch erg zijn dat die stomme auto ...

Danny: Ja, moeder, ik ga bellen. Voor 't zekerste. Misschien zou hij nog kwaad zijn dat we hem niet gebeld hebben. Heb jij zijn nummer? Ach ja, het nummer zal wel bij de telefoon liggen, zeker?

Moeder: Ja, haast je. Want als hij al weg is, of boodschappen gaan doen... Hij moet nu hier zijn, weet je dat, zijn plaats is hier. Al de rest kan wachten.

Danny: 't Was Mia. Ze zei dat hij al op weg was. Dat hij gister met de auto is kunnen gaan. En dat hij hier de hele dag zal zijn, en 's nachts zal blijven waken. Nu ben je gerust, he?

Moeder: Nee, nog niet. Hij moest hier nu al zijn.

Danny: Ja, moeder. Binnen een half uurtje is hij er. Vader ligt rustig. Heb je  wat water aan zijn lippen gedaan, moeder?

Moeder: Nee, jongen, ik durf me bijna niet te verroeren. En hij heeft mijn hand zo hard vast. Dat is de eerste keer. Alsof hij me nooit meer wil loslaten. Doe jij met dat doekje wat water aan zijn lippen, Danny. . .

...Kijk, hij reageert. Als ik over zijn arm wrijf, beweegt hij zijn hand.

 

Frederik: Hoe is 't met vader, moeder?

Moeder: Och, Frederik, ik ben blij dat je er bent. Slecht, jongen, ik denk dat het voor elk moment is. Hij heeft nog nooit zo in mijn hand geknepen. Hij laat me niet los.

Danny: Hij is erg rustig. Alsof hij diep slaapt.

Moeder: Laten we een gebed zeggen. Onze vader....

Moeder: Dag liefste man, 't ga je ginder goed.

Zijn hand. . .

Zo diep ademen. . . 

God, mens, wat is dat wreed... Kinderen toch.

't Is alsof hij op Frederik heeft gewacht...

Zie, je vader is in de hemel. Hij heeft mijn hand losgelaten.

...Bid voor ons, arme zondaars, nu en in het uur van onze dood. Amen.

Amen.

Oktober - november 1989

Ter gelegenheid van mijn zestigste verjaardag online gezet, als herinnering aan het eerste afscheid.

 



naar boven